zondag 11 mei 2008

Hiki vs. Tataki, round 1!

Net zoals andere Japanse disciplines kent de Tsugaru Shamisen verschillende stijlen of scholen. Omdat de Tsugaru stijl van leraar op leerling wordt overgedragen ontwikkelt elke speler zijn eigen, unieke stijl. Een geoefend oor kan dus horen uit welke stijl een speler afkomstig is.

Toch zijn er eigenlijk twee hoofdstromingen binnen de Tsugaru shamisen, hiki en tataki. Oorspronkelijk waren shamisenspelers slechts de ondersteuning van het middelpunt van de muziekgroep, de zanger of zangeres. Naarmate de shamisen meer naar de voorgrond trad ontwikkelden spelers hun eigen stijl, en speelden ook steeds vaker solo.

Kida Rinshoe (1911-1979) bracht een nieuwe, maar omstreden stijl in het genre. Hij sloeg hard en snel tegen het vel en maakte snelle en korte improvisaties. Zijn critici meenden dat hij de traditie om zeep hielp en met zijn harde spel zijn slechte techniek verhulde. Dat Kida nogal een arrogante blaaskaak was hielp niet echt. Deze stijl werd al spoedig tataki-shamisen genoemd.

Daartegenover staat de hiki-shamisen, een zachtere, elegantere stijl. Chikuzan Takahashi was nogal conservatief in zijn spel, en hij en Kida konden elkaar niet luchten. Ze maakten zelfs op de nationale televisie ruzie met elkaar over wie de echte Tsugaru stijl speelde.

Welke stijl de ware is, is uiteindelijk een kwestie van voorkeur. Het verschil wordt mooi geïllustreerd door twee huidige spelers, Michihiro Sato en Takemi Hirohara. Beiden spelen het bekende stuk Nikata Bushi, de eerste tataki en de tweede hiki stijl. Enjoy!

Michihiro Sato



Takemi Hirohara

maandag 5 mei 2008

"Je mag wel spelen, maar..."

Ik speel graag buiten, en natuurlijk het liefst als het mooi weer is. De shamisen krijgt in de open ruimte een totaal ander geluid, en de speler krijgt flinke inspiratie. Chikuzan Takahashi (1910-1998), één van de grote Tsugaru bosama, vond dat voor publiek spelen een goede training is voor muzikanten, ongeacht het niveau. Dus ik zit regelmatig met ingehouden adem en knikkende knieën ergens in een park wat te meppen.

Vorige week besloten we naar de Japanse tuin in Clingendael te gaan. Het is een prachtige tuin met een recent gerestaureerd theehuis, dat bovendien maar vier weken per jaar voor het publiek geopend is. En natuurlijk een prachtige omgeving voor shamisentonen! We wilden de omgeving ook graag filmen tijdens het spelen.

Bij de tuin aangekomen schoot ik uit beleefdheid maar direct de opzichter van de tuin aan. "Ik heb hier een Japanse shamisen bij me, mag ik daar in de tuin een poosje op spelen?" De niet onvriendelijke man keek een seconde naar mijn koffer: "Nou, liever niet. Nou ja. Je mag wel spelen, maar niet te lang, en als het lelijk klinkt moet je weg. En als de mensen er last van hebben moet je direct stoppen, want ze komen hier voor hun rust."

De voorpret ging vrijwel direct overboord, maar hij had natuurlijk wel gelijk. De bezoekers kwamen voor de tuin, niet voor mijn muzikale gestuntel. De tuin was zijn verantwoordelijkheid. We bedankten hem en gingen een plekje zoeken. Jammergenoeg was het zo druk dat ik me niet prettig voelde bij het idee daar direct tussen te zitten met de shami.

Maar de lust ging totaal voorbij toen we even op de rand van het theehuisje de mensen voorbij zagen lopen. Op een enkeling na zo onverschillig, mobieltje aan het hoofd, ipod in de oren, non-stop met een cameraatje klikken zonder echt iets te zien, kinderen lopen verveeld te drentelen, al met al lijken de mensen hier voor alles behalve hun rust te zijn! Na vijf minuten gingen we er al vandoor.

'Gemiste kans', was alles dat ik dacht...